De vierdehand.

Bron: Divers


De vierdehand neemt in de regel wat hij kan, en wel zo laag mogelijk (aan of af  aan signaleren).
Als hij nemen kan met de Boer of met de Vrouw, dan doet hij dit dus met de Boer.

Soms is het echter gewenst dat de vierdehand, hoewel deze nemen kan niet neemt.

De vierdehand en ook de tweedehand neemt niet, als daar door een serie op tafel vrij zou komen.

Voorbeeld 1:

Op tafel ligt: A V B T 9 8  zonder enige entree.
Er wordt SA gespeeld.
Zuid speelt  2 ;  West  3 ;  Noord  8 ;  Oost  ?.
Oost heeft het A 7 6.
Hij speelt het Aas  nog niet, maar wacht daarmee, totdat Zuid geen meer heeft, dan kan Zuid Noord niet meer aan slag brengen.
Noord speelt dan  negen na, behalve de die Oost ziet, zijn er nog 5 en 4.
Die kan Zuid allebei hebben.
Hij neemt dus Aas nog niet.
Neemt hij wel, dan loopt hij immers het risico, dat Zuid 5 overhoudt om Noord aan slag te brengen.


Het ophouden van de Heer of Vrouw

Voorbeeld 2:

Op tafel ligt: A V B T 9 8 ; zonder enige entree.
Er wordt SA gespeeld.
Zuid speelt  2;  West  4 ;  Noord  8 ; Oost  ?.
Oost heeft:  H 7 6 5.
Weer neemt Oost niet, hij neemt de Heer niet, omdat hij dan de serie van Noord vrij zou maken.
Zuid heeft ten hoogste 2 , zodat de serie van Noord nooit vrij gespeeld kan worden.
In dit soort gevallen dienen de tegenstanders er zeer goed op te letten van twee de hoogste te gooien, zodat de partner uitrekenen kan, op welk moment hij nemen moet.
Indien West eerst laag en dan hoog speelt, weet Oost dat West er meer dan twee heeft (distributiesignaal). 
Een goede speler zal zelfs in sommige omstandigheden Heer tweede niet bijspelen.
Hij doet dit dan niet omdat:
1 - Zuid toch wel weer de tweede maal zal snijden. 
2 - Hij door deze manoeuvre er in kan slagen de serie van Noord waardeloos te maken.
Dit is hem eventueel een slag waard.

/

Voorbeeld.

  
 
 
  A V B T 9 7 6
 

 
   
   
  8 4    H 5 
 
 
 
  3 2


Er wordt SA gespeeld: Verder geen entree in Noord.

Zuid speelt 2  West 8 Noord 9 Oost ?
Waarschijnlijk is het dat Zuid en West nog een hebben.
Legt Oost dus de Heer niet, op gevaar af dat hij hem in het geheel niet meer maakt.
Zuid zal als Oost zonder aarzelen de 5 bijgooit, waarschijnlijk denken, dat West de Heer heeft.
Hij zal dan op een of andere wijze naar zijn hand spelen, en van daar uit nogmaals snijden.
Doet hij dit, dan maakt Oost zijn Heer en Noord geen slag meer.
Had Oost direct de Heer genomen, dan had Noord nog 6 slagen gemaakt.

/

Voorbeeld.

  7 4 
  9 7 6 
  H V T 8 4 3
  A 6
  V B T 9

  8 6 3
  B 5 3 2   V T 4
  7   A B 5 
  T 9 8 5   H 7 3 2  
  A H 5 2 
  A H 8 
  9 6 2 
  V B 4 


Oost pas; Zuid 1 SA; West pas; Noord 3 SA; allen passen.
1 - West  Vrouw; Noord 4; Oost 3; Zuid Aas.
2 - Zuid 2; West 7; Noord Heer; Oost ?.
Oost moet Aas niet nemen, doet hij dit wel, dan is Zuid zeker van de overwinning.
3 - Noord  6; Oost 4; Zuid Aas; West 2.
4 - Zuid 6; West 5; Noord 10; Oost Boer.
5 - Oost Heer 
Nu kan Zuid nooit meer maken dan 3 slagen, 1 slag, 2 slagen en 2 slagen.
De moeilijkheid voor Oost is dus tweeledig:
Hij moet eerst Aas niet nemen en daarna Heer spelen, om Aas als entree voor Noord te verwijderen